|










| |
|
Kwaliteitseisen voor
GOED speelgoed
|
|
Home
|
Fundamentele veiligheidsvoorschriften voor speelgoed. |
 |
|
|
|
|
Algemene
beginselen:
- Overeenkomsten de in artikel 2 van dit besluit genoemde
veiligheidsvoorschriften, moeten gebruikers van speelgoed
alsmede derden beschermd zijn tegen gevaren voor de gezondheid
of lichamelijk letsel wanneer het speelgoed wordt gebruikt
overeenkomstig de bestemming of op een wijze die, gezien het
gebruikelijke gedrag van kinderen, te verwachten is. Het betreft
gevaren:
a) die verband houden met het ontwerp, de constructie of de
samenstelling van het speelgoed;
b) die onverbrekelijk verbonden zijn met het gebruik van het
speelgoed en niet volledig kunnen worden opgeheven door
verandering aan te brengen in de constructie of de
samenstelling zonder dat het speelgoed zijn functie of zijn
belangrijkste eigenschappen verliest.
- a) De mate van het gevaar die het gebruik van het speelgoed
meebrengt moet in verhouding staan tot de vaardigheden van de
gebruikers, onder andere van degenen onder wier toezicht zij het
speelgoed gebruiken. Dit geldt met name voor speelgoed dat door
functie, afmetingen of andere kenmerken bestemd is voor kinderen
beneden de 36 maanden.
b) Om dit beginsel in praktijk te brengen moet, waar nodig, een
minimumleeftijd voor de gebruikers van speelgoed worden
aangegeven, alsmede worden vermeld dat het uitsluitend onder
toezicht van volwassenen mag worden gebruikt.
- Op etiketten op speelgoed en/of verpakking en in de
bijgevoegde gebruiksaanwijzingen moeten de gebruikers c.q. de
toezichthoudende volwassenen in voldoende mate en op
begrijpelijk wijze worden gewezen op de aan het gebruik
verbonden gevaren en op de manier waarop deze kunnen worden
voorkomen.
Bijzondere gevaren
1. Fysische en mechanische eigenschappen:
a) Speelgoed en onderdelen daarvan en, bij vast geïnstalleerd
speelgoed, de verankering, moeten de nodige mechanische
eigenschappen en in voorkomend geval de vereiste stabiliteit
hebben om de bij het gebruik uitgeoefende druk te weerstaan
zonder dat zij breken of kunnen vervormen met gevaar voor
lichamelijk letsel.
b) Bereikbare hoeken, uitstekende delen, snoeren, kabels en
bevestigingen moeten zo ontworpen en geconstrueerd zijn dat het
gevaar voor lichamelijk letsel bij aanraking zo klein mogelijk
is.
c) Speelgoed moet zo ontworpen en vervaardigd zijn dat de
kans op lichamelijk letsel tengevolge van de beweging van de
delen ervan minimaal is.
d) Speelgoedartikelen en onderdelen daarvan en afneembare
delen die kennelijk bestemd zijn voor kinderen beneden de 36
maanden, moeten zo groot zijn dat zij niet kunnen worden
ingeslikt en/of ingeademd.
e) Speelgoedartikelen en onderdelen daarvan alsmede de
verpakking waarin dit speelgoed en deze onderdelen in de
detailverkoop worden aangeboden, mogen geen gevaar voor
verstikking of verwurging meebrengen.
f) Speelgoedartikelen die bestemd zijn om in ondiep water te
worden gebruikt en om het kind te dragen of drijvende te houden
op het water, moeten gelet op het voorgestelde gebruik ervan,
zodanig ontworpen en vervaardigd zijn dat het gevaar voor
verlies van het drijfvermogen van het speelgoed alsmede van de
steun die het aan het kind geeft, zo klein mogelijk is.
g) Speelgoedartikelen waar kinderen in kunnen kruipen en die
een gesloten ruimte vormen, moeten een uitgang hebben die
gemakkelijk van binnenuit kan worden geopend.
h) Speelgoed waarmee de gebruikers zich kunnen voortbewegen,
moet voor zover mogelijk voorzien zijn van remmen die aangepast
zijn aan het soort speelgoed en die berekend zijn op de door het
speelgoed opgewerkte kinetische energie. Deze remmen moeten
gemakkelijk door de gebruikers bediend kunnen worden zonder dat
dezen gevaar lopen eruit of af te vallen of zichzelf en anderen
te verwonden.
i) De constructievorm en -samenstelling van projectielen en
de kinetische energie die deze kunnen ontwikkelen bij lancering
door een daartoe ontworpen stuk speelgoed, moeten zodanig zijn
dat het gevaar voor verwonding van de gebruiker van het
speelgoed of van derden niet onredelijk groot is, gelet op de
aard van het speelgoed.
j) Speelgoed dat warmte-elementen bevat moet zo vervaardigd
zijn dat:
 | de hoogste temperatuur die aan elke toegankelijke zijde
wordt bereikt zodanig is dat aanraking daarvan geen
verbranding tot gevolg heeft;
|
 | de temperatuur of druk van de vloeistoffen, dampen en
gassen in het speelgoed niet zo hoog oplopen dat deze, indien
zij voor de goede werking van het speelgoed moeten ontsnappen,
brandwonden of andere lichamelijk letsel kunnen veroorzaken.
|
2. Ontvlambaarheid:
a) Speelgoed mag in de woonomgeving van het kind geen
gevaarlijk ontvlambaar element zijn. Hiertoe dient het speelgoed
samengesteld te zijn uit materialen die:
- niet branden onder de directe inwerking van een vlam of
vonk of andere potentiële oorzaak van ontbranding;
- of moeilijk ontvlambaar zijn (het vuur moet doven zodra de
oorzaak van ontbranding verwijderd is);
- of, indien zij vlam vatten, traag branden, waarbij de vlam
zich langzaam verspreidt;
- of, ongeacht de chemische samenstelling van het speelgoed,
zodanig zijn behandeld dat het verbrandingsproces wordt
vertraagd.
Dit brandbare materiaal mag geen gevaar van ontbranding
meebrengen voor andere in het speelgoed verwerkte stoffen.
b) Speelgoed dat, om te kunnen functioneren, gevaarlijke
stoffen of preparaten bevat, ondermeer materiaal en apparatuur
voor scheikundige experimenten, modelbouw, boetseren met
kunststof of klei, emailleren, fotograferen of soortgelijke
activiteiten, mag als zodanig geen stoffen of preparaten
bevatten die ontvlambaar worden door het verlies van vluchtige
niet ontvlambare componenten.
c) Speelgoed mag niet ontplofbaar zijn of elementen of
stoffen bevatten die bij gebruik overeenkomstig artikel 2 van
dit besluit zouden kunnen ontploffen.
Onder verwijzing naar punt 10 van bijlage I geldt dit niet voor
speelgoedslaghoedjes.
d) Speelgoed, en ondermeer chemische spellen en
speelgoedartikelen, mag geen stoffen of preparaten bevatten:
 | die bij vermenging een ontploffing kunnen veroorzaken:
|
 | door chemische reactie of door verwarming;
|
 | bij vermenging met oxiderende stoffen; |
 | die vluchtige componenten bevatten die ontvlambaar zijn in
de lucht en ontvlambare of explosieve mengsels van damp en
lucht kunnen vormen.
|
3. Chemische eigenschappen:
1) Speelgoed dient zodanig te zijn ontworpen en vervaardigd
dat het bij gebruik overeenkomstig artikel 2 van dit besluit
geen gevaar voor de gezondheid of lichamelijk letsel meebrengt
bij inslikken, inademing of contact met de huid, de slijmvliezen
of de ogen. In ieder geval moet dat speelgoed voldoen aan de
passende wetten en besluiten toepasselijk op bepaalde
categorieën producten of betreffende het verbod, de beperking
van het gebruik of de etikettering van bepaalde gevaarlijke
stoffen en preparaten.
2) Met het oog op de bescherming van de gezondheid der
kinderen mag met name de totale biologische beschikbaarheid ten
gevolge van het gebruik van het speelgoed, per dag niet hoger
liggen dan de volgende streefcijfers:
|
0,2 µg voor
antimoon;
0,1 µg voor arsenicum;
25,0 µg voor barium;
0,6 µg voor cadmium;
0,3 µg voor chroom;
0,7 µg voor lood;
0,5 µg voor kwik;
5,0 µg voor selenium, |
of de waarden die op basis van wetenschappelijk
bewijsmateriaal voor deze of andere stoffen in de wetten en
besluiten kunnen worden vastgesteld.
Onder het biologische beschikbaarheid van deze stoffen wordt
verstaan het oplosbare extract dat toxicologisch van belang is.
3) Speelgoed mag geen gevaarlijke stoffen of preparaten
bevatten in hoeveelheden die de gezondheid van het kind dat het
speelgoed gebruikt kunnen schaden. In ieder geval is het formeel
verboden in speelgoed gevaarlijke stoffen of preparaten te
verwerken indien het speelgoed bestemd is om als zodanig bij het
spelen te worden gebruikt. Indien een beperkt aantal stoffen of
preparaten echter voor de werking van bepaald speelgoed, zoals
materiaal en apparatuur voor scheikundige experimenten,
modelbouw, boetseren met kunststof of klei, emailleren,
fotograferen en dergelijke activiteiten in beperkte mate nodig
zijn, zijn deze toegestaan mits een voor elke stof en elk
preparaat bij opdracht aan het CEN overeenkomstig de procedure
van het bij Richtlijn 83/189/EEG instelde Comité aan te geven
maximumconcentratie niet wordt overschreden, en de toegestane
stoffen en preparaten voldoen aan de passende wetten en
besluiten toepasselijk inzake de etikettering, onverminderd punt
4 van bijlage IV.
4. Elektrische eigenschappen:
a) Elektrisch aangedreven speelgoed moet werken op een
nominale spanning van ten hoogste 24 volt en geen enkel
onderdeel van het speelgoed mag onder spanning van meer dan 24
volt staan.
b) Delen van speelgoed die in contact staan of kunnen komen
met een elektriciteitsbron die een elektrische schok kan
veroorzaken, alsmede de kabels of draden waarlangs de
elektriciteit naar deze delen wordt geleid, dienen goed
geïsoleerd en mechanisch beveiligd te zijn om het gevaar van
elektrische schokken te voorkomen.
c) Elektrisch aangedreven speelgoed moet zo zijn ontworpen en
uitgevoerd dat de hoogste temperaturen die optreden aan de
oppervlakte van alle rechtstreeks toegankelijke delen, bij
aanraking daarvan geen brandwonden kunnen veroorzaken.
5. Hygiëne:
Speelgoed dient zo te zijn ontworpen en vervaardigd dat wordt
voldaan aan de eisen inzake hygiëne en zuiverheid en gevaar voor
infectie, ziekte en besmetting wordt vermeden.
6. Radioactiviteit:
Speelgoed mag geen radioactieve elementen of stoffen bevatten
in een vorm of hoeveelheid die schade kan berokkenen aan de
gezondheid van het kind. Het moet ook voldoen aan de passende
wetten en besluiten toepasselijk op de bescherming van de
gezondheid tegen de aan de ioniserende straling verbonden
gevaren.
|
|
|
Met dank aan : FOD Economie, KMO, Middenstand en
Energie |
| |









|